1.1 Functionele histologie Hst. 13 Bloed en bloedcellen

1.1 Functionele histologie Hst. 13 Bloed en bloedcellen -...

Info iconThis preview shows pages 1–2. Sign up to view the full content.

View Full Document Right Arrow Icon
Blok 1.1 Het Geneeskundig proces Functionele histologie Hst. 13 Bloed en bloedcellen Inleiding Bloed is een vloeistof waarin cellen zijn gesuspendeerd, het is een bijzondere vorm van bindweefsel met vloeibare tussenstof. Het bestaat uit een vloeibare fase ( bloedplasma ) en bloedcellen ( erytrocyten , leukocyten en trombocyten ). Bij stolling vormt fibrinogeen een netwerk van fibrinevezels, waarin bloedcellen gevangen worden. De heldere vloeistof die dan vrijkomt heet serum , dit is bloedplasma zonder stollingseiwitten. De verhoudingen in onstolbaar gemaakt (door anticoagulantia) en gecentrifugeerd bloed van het volume cellen t.o.v. het totale volume heet hematocriet . Bij mannen 40 à 50%, vrouwen 35 à 45%, kinderen tot 10 jaar 35% en pasgeborenen 45 à 60%. Boven in de hematocrietbuis verzamelt het licht viskeuze bloedplasma . Onder in de hematocrietbuis is een rode laag erytrocyten en daarboven een dunne grijswitte laag leukocyten ( buffy coat ). Hierboven een met het blote oog onzichtbaar laagje trombocyten . CO 2 kan ook aan andere eiwitten dan hemoglobine van de erytrocyten binden en het bevind zich in opgeloste vorm in het plasma, als CO 2 en HCO 3 - . Bloedplasma vervoert allerlei stoffen van hun plaats van opname of synthese naar weefsels elders in het lichaam. Celtype Diameter ( μ m) Aantal Erytrocyt 6,5-8 (gemiddeld 7,5) vrouwen 4,5*10 12 /l; mannen 5,0*10 12 /l Leukocyt 5 - 10*10 12 /l - Neutrofiel 12-15 60-70% - Eosinofiel 12-15 2-4% - Basofiel 12-15 0-1% - Monocyt 12-20 3-8% - Lymfocyten 6-18 20-30% Trombocyten 2-5 150-350*10 9 /l Bloedplasma 10% bestaat uit opgeloste stoffen: waarvan 7% plasma-eiwitten, 0,9% anorganische zouten en de rest organische stoffen. Via de wanden van capillairen en venulen zijn de laagmoleculaire stoffen in evenwicht met de interstitiële vloeistof van de weefsels. Plasma-eiwitten kunnen gescheiden worden in albuminen (kwantitatief het meest, handhaving colloïd- osmotische druk), α - , β - , γ -globulinen (bevat antilichamen, immuunglobulinen , Ig ) en fibrinogeen . Niet of moeilijk oplosbare stoffen kunnen getransporteerd worden als ze gebonden zijn aan albumine of α - en β - globulinen. Als lipiden zich omgeven met apoproteïnen, wordt het lipoproteïnedeeltje oplosbaar. Behalve γ - globuline worden al deze eiwitten in de lever geproduceerd. Bloedcellen: Kleuring van bloedcellen In het midden van een bloeduitstrijkje zijn het cytoplasma en de kern goed zichtbaar, grotere leukocyten bevinden zich vooral aan de randen. Aan het einde van de 19 e eeuw ontwikkelde Romanowsky een kleuring met methyleenblauw , azuren (oxidatieproducten van het methyleenblauw) en eosine . Varianten zijn de mengsels van Giemsa (vrijwel overal in West-Europa gebruikt), Wright of Leishman. Verschillende kleuringskenmerken: 1. Affiniteit voor methyleenblauw (basisch): basofilie . 2.
Background image of page 1

Info iconThis preview has intentionally blurred sections. Sign up to view the full version.

View Full DocumentRight Arrow Icon
Image of page 2
This is the end of the preview. Sign up to access the rest of the document.

Page1 / 4

1.1 Functionele histologie Hst. 13 Bloed en bloedcellen -...

This preview shows document pages 1 - 2. Sign up to view the full document.

View Full Document Right Arrow Icon
Ask a homework question - tutors are online