1.3 MPh hst.25-28 - Blok 1.3 Bouwen aan gezondheid Medical Physiology Hst 25 The Body Fluid Compartments Extracellular and Intracellular Fluids

Info iconThis preview shows pages 1–2. Sign up to view the full content.

View Full Document Right Arrow Icon
Blok 1.3 Bouwen aan gezondheid Medical Physiology Hst. 25 The Body Fluid Compartments: Extracellular and Intracellular Fluids; Interstitial Fluid and Edema Water komt het lichaam binnen door eten en drinken en doordat het lichaam het maakt bij de oxidatie van carbohydraten. Je raakt het kwijt door diffusie door de huid, bij het ademhalen, zweten, feces en urine. De extracellulaire vloeistof is de interstitiële vloeistof (3/4) en het bloedplasma (1/4). Ze bevatten dezelfde concentraties stoffen, behalve van eiwitten. Want de poriën in de bloedvaten laten bijna alle opgeloste stoffen door, op eiwitten na. Het hematocriet is het gedeelte van het bloed dat uit cellen bestaat. De verdeling van vloeistof tussen intra- en extracellulair wordt vooral bepaald door het osmotische effecten van kleinere opgeloste stoffen over het celmembraan. Want celmembranen zijn erg permeabel voor water, maar relatief impermeabel voor andere stoffen. Osmose is de netto diffusie van water over een selectief permeabel membraan van een regio met een hoge water concentratie naar een met een lagere water concentratie. Wanneer een oplosbare stof aan puur water wordt toegevoerd, wordt de concentratie water in dit mengsel lager. De term osmol slaat op het aantal osmotisch actieve deeltjes in een oplossing en niet op de molaire concentratie. Wanneer een molecuul in 2 delen splitst als het oplost (bijv. NaCl) is bij een oplossing van 1 mol/L de osmolaire concentratie 2 osm/L. 80% van de totale osmolariteit van de extracellulaire vloeistof komt door natrium en chloride, terwijl bij de intracellulaire vloeistof 50% van de osmolariteit wordt bepaald door kalium. Relatief kleine veranderingen in de concentraties van opgeloste stoffen in de extracellulaire vloeistof kunnen voor grote osmotische drukken over het celmembraan zorgen. Een vloeistof wordt isotoon genoemd (bijv. 0,9% NaCl), omdat het niet voor krimpen of opzwellen van cellen zorgt. Dit komt omdat de waterconcentratie in en buiten de cel gelijk is. Een vloeistof die hypotoon is heeft een lagere concentratie impermeabele opgeloste stoffen (bijv. 0,45% NaCl), hierdoor zal water de cel in diffunderen en zwelt de cel op. Door toevoegen van een hypotone vloeistof zullen de intra- en extracellulaire volumes toenemen, maar het intracellulaire volume zal meer stijgen. Een vloeistof die hypertoon is bevat een hogere concentratie impermeabele opgeloste stoffen (bijv. 7,5% NaCl), dit zorgt voor een water verplaatsing de cel uit. Het netto effect van het toevoegen van een hypertone vloeistof is een vergroting van het extracellulaire volume (meer dan de toegevoegde vloeistof), een verlaging van het intracellulaire volume en een verhoging van de osmolariteit in beide compartimenten. Isosmotische, hyperosmotische en hypo-osmotische vloeistoffen bevatten ook stoffen die wel door
Background image of page 1

Info iconThis preview has intentionally blurred sections. Sign up to view the full version.

View Full DocumentRight Arrow Icon
Image of page 2
This is the end of the preview. Sign up to access the rest of the document.

This note was uploaded on 01/09/2011 for the course MED Blok 1.3 taught by Professor Devries during the Spring '09 term at Rijksuniversiteit Groningen.

Page1 / 7

1.3 MPh hst.25-28 - Blok 1.3 Bouwen aan gezondheid Medical Physiology Hst 25 The Body Fluid Compartments Extracellular and Intracellular Fluids

This preview shows document pages 1 - 2. Sign up to view the full document.

View Full Document Right Arrow Icon
Ask a homework question - tutors are online