HIR.1ebach.Psy.Juni2006 - Examen: Inleiding tot de...

Info iconThis preview shows pages 1–3. Sign up to view the full content.

View Full Document Right Arrow Icon
Examen: Inleiding tot de psychologie, 1 ste bach HIR, Juni 2006 prof:E. Van Avermaet (30 meerkeuzevragen, 5 waar/vals vragen) PeterZzZ 1. Stel dat het begrip perceptuele defensie echt zou bestaan, dan zou dit de logische evidentie zijn voor A: een parallelle visie B: een bottom-up visie C: een seriële visie D: een top-down visie 2. Dat het zo lang geduurd heeft, alvorens psychologie zich heeft kunnen ontwikkelen tot een volwaardige wetenschap, komt A: omdat men dacht reeds alles te weten over het psychisch functioneren op basis van intuïtieve inzichten B: omdat men dacht dat alle psychische fenomenen reeds konden verklaard worden van de fysiologie en de neurologie C: omwille van de invloed van een bepaalde filosofische school die vond dat het psychische niet positief-wetenschappelijk kon benaderd worden D: omwille van de afwezigheid van een geschikte onderzoeksmethodologie. 3. Een experiment heeft twee onafhankelijke variabelen, de eerste heeft twee niveaus en de andere heeft er drie. Dit is een tabel met de mogelijke resultaten van het onderzoek. In de oorspronkelijke vraag waren de gegevens enkel gegeven in tabelvorm, en is deze grafiek een schets die zelf gemaakt moest worden. A: er is een hoofdeffect van A en een hoofdeffect van B B: er is een hoofdeffect van A en een interactie-effect tussen A en B C: er is een hoofdeffect van B en een interactie-effect tussen A en B D: er is enkel een interactie-effect tussen A en B
Background image of page 1

Info iconThis preview has intentionally blurred sections. Sign up to view the full version.

View Full DocumentRight Arrow Icon
4. Men ziet dat in de helft van de situaties dat een VP gevolgd wordt door een OP, er is dan duidelijk sprake van A: excitatorische conditionering B: inhibitorische conditionering C: geen conditionering D: men kan hieruit niets besluiten, wat conditionering betreft. 5. In zijn eerste experiment over de invloed van waarde op grootteschattingen manipuleerde Bruner de waarde en de grootte van de te beoordelen muntjes, het belangrijkste effect dat Bruner verwachtte was A: een hoofdeffect van waarde B: een hoofdeffect van grootte C: een hoofdeffect van waarde en een interactie-effect tussen waarde en grootte D: een hoofdeffect van grootte en een interactie-effect tussen waarde en grootte 6. In de krant le soir van 17 oktober 1997 stond een artikeltje dat verwees naar een onderzoek waarin werd vastgesteld dat kinderen van moeders die tijdens de zwangerschap 10 sigaretten of meer hadden gerookt, later vaak min of meer ernstige gedragsproblemen vertoonden, van liegen, vandalisme tot diefstal. A: uit dit onderzoek kan men besluiten dat roken tijdens de zwangerschap, via de invloed van sommige stoffen, de oorzaak is van de gerapporteerde neveneffecten. B: uit dit onderzoek kan men besluiten dat er een verband bestaat tussen roken tijdens de zwangerschap en de latere gedragsproblemen C: Dit is een voorbeeld van een differentieel onderzoek D: Uit dit onderzoek kan men nog correlationele noch causale conclusies getrokken worden 7. Soms kan het zijn, dat bij het horen van een bepaalde melodie, plots herinnert wordt aan een prettige gebeurtenis. Als mogelijke verklaringen haalt men 1) principes uit de gestaltpsychologie,
Background image of page 2
Image of page 3
This is the end of the preview. Sign up to access the rest of the document.

Page1 / 8

HIR.1ebach.Psy.Juni2006 - Examen: Inleiding tot de...

This preview shows document pages 1 - 3. Sign up to view the full document.

View Full Document Right Arrow Icon
Ask a homework question - tutors are online