B ric 100300 100 333 de geldontwaarding is 100 333

Info iconThis preview shows page 1. Sign up to view the full content.

View Full Document Right Arrow Icon
This is the end of the preview. Sign up to access the rest of the document.

Unformatted text preview: ijzen minder goederen kopen. b. RIC = 100/300 × 100 = 33,3. De geldontwaarding is 100 - 33,3 = 67,7%. NB1: de nominale waarde van het geld blijft altijd gelijk dus de teller blijft 100. NB2: de geldontwaarding kan nooit hoger zijn dan 100%! c. Als het algemeen prijsniveau daalt, dus als er deflatie is. 28. Deze zullen stijgen. De vraag naar huizen is groter dan het aanbod: dan gaan de huizenprijzen omhoog. 29. Hogere bestedingen leggen meer beslag op de productiecapaciteit. Door druk op de productiecapaciteit zullen de prijzen gaan stijgen (inflatie). Producten worden duurder, werknemers worden via hogere lonen bij andere bedrijven weggehaald. Bij deflatie geldt de omgekeerde redenatie: minder beslag op de productiecapaciteit, dus zullen de prijzen van goederen en arbeid dalen. © LWEO B.V. Niets uit deze publicatie mag op enigerlei wijze worden overgenomen zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. Het verlenen van toestemming tot publicatie strekt zich tevens uit tot het elektronisch beschikbaar stellen. Zie ook de leveringsvoorwaarden van de LWEO (www.lweo.nl). INKOMEN & GROEI 2007 - 2008 30. Onderbesteding: productie werkloosheid lonen inflatie bezettingsgraad Overbesteding: productie werkloosheid lonen inflatie bezettingsgraad laag hoog dalen laag laag hoog laag stijgen hoog hoog 31. Als de stijging van de arbeidsproductiviteit in procenten hoger is dan de stijging van de loonkosten. Dan stijgen de kosten per product niet. 32. De oorzaak van de prijsstijging is een andere. Bij kosteninflatie worden hogere kosten doorberekend in de prijzen. Bij bestedingsinflatie stijgen de prijzen omdat de productiecapaciteit (bijna) volledig benut is. 33. a. Als een Nederlandse ondernemer grondstoffen koopt in het buitenland en de prijzen ervan stijgen (bijvoorbeeld doordat de wisselkoers van de euro daalt of omdat er inflatie is in het buitenland) zal de ondernemer de gestegen kosten doorberekenen en zijn prijs verhogen (= kosteninflatie). Als de export stijgt, kan door het buitenland de productiecapaciteit volledig benut raken: dan zullen de prijzen stijgen (= bestedingsinflatie). Beide prijsstijgingen worden veroorzaakt door het buitenland. b. De overheid kan de btw en de loonbelasting verhogen. In beide gevallen zullen de bestedingen dalen (of minder stijgen), bijvoorbeeld omdat gezinnen minder consumeren. c. . Lagere prijzen vaststellen waar de overheid dat kan: huren, energie. . Lagere btw en accijnzen. . Met een loonmaatregel de loonkostenstijging temperen. 34. Bij overbesteding: dan kunnen de bedrijven hun producten gemakkelijk kwijt (er is veel vraag); een hogere prijs wordt eerder geaccepteerd. De concurrentie is dan minder hevig. Bij onderbesteding zitten de bedrijven om klanten te springen en zullen ze met lage prijzen proberen deze te lokken. © LWEO B.V. Niets uit deze publicatie mag op enigerlei wijze worden overgenomen zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever. Het verlenen van toestemming tot publicatie strekt zich tevens uit tot het elektronisch beschikbaar stellen. Zie ook de leveringsvoorwaarden van de LWEO (www.lweo.nl). INKOMEN & GROEI 2007 - 2008 35. 36. a. b. c. d. Rusland (85,9%). Azië, want dat heeft de hoogste groei bij volume BBP (4,5%). In 1998 daalde de productie in Japan en Rusland. In 1999 stegen de prijzen in Rusland met 85,9% (PIC = 185,9) en het reële BBP met 3,2% (RIC = 103,2). Dus: 103,2 = (NIC/185,9) × 100. NIC = (103,2 × 185,9)/100 = 191,85. Het nominale inkomen in Rusland is met 91,85% gestegen. 37. a. De hogere collegegelden, de gestegen prijzen van de nieuwe winterkleding, schoenen, bloemen en verse groenten en de hogere koers van de dollar. b. Er staat in het artikel (kolom 3): "De productiecapaciteit is op het moment voldoende rekbaar om aan de hogere vraag te kunnen voldoen". [Ook blijkt uit het artikel dat het vooral gaat om hogere kosten, dus om kosteninflatie] c. De overheid beslist over de hoogte van de collegegelden. d. Deze vraag kan aan twee kanten aangepakt worden: bij het eerste deel en bij het tweede deel. Eerste deel (zolang er redenen zijn ...): Er zijn altijd wel redenen te bedenken voor prijsverhogingen. Maar als je er niks aan kunt doen omdat het buiten je macht ligt dan moet een land ervoor zorgen dat de schade niet al te groot wordt. Tweede deel (is er weinig aan de hand): Er is echt weinig aan de hand als voor e...
View Full Document

Ask a homework question - tutors are online