Indonesian | Bahasa Indonesia, nederlands Flashcards

indonesian
Terms Definitions
Kedua
tweede
Nenek
grootmoeder
Buah
fruit
Mengapa
waarom
Besar
groot
Pergi
gaan
Pesan
bestellen
Pohon
boom
Pelangi
regenboog
Biasanya
gewoonlijk
Pendek
kort
Kantuk
slaperigheid
Karena
omdat
Kalian
jullie
Lusa
overmorgen
Lebih
meer
Kenal
kennen
Pemandu
gids
Sungai
rivier
Anggur
wijn
Telah
reeds
Atau
of
Apel
appel
Terlalu
te
Sakit
ziek
Sapi
koe
Jepang
- Japan
Kotor
- vies
Ke
- naar
Tujuh
- zeven
Jumat
- vrijdag
Tiga
- drie
Tinggi
- lang
Keras
- hard
Paket
- pakket
Polis
- politie
Ramah
- vriendelijk
Rumah
- huis
Makanan
- voedsel
Mangga
- mango
Nenas
- ananas
Mengerti
- begrijpen
Muda
- jong
Langit
- hemel
Bagaimana
- hoe
Berhenti
- stoppen
Bir
- bier
Duri
- doorn
Baik
- goed
Hitam
- zwart
Hijau
- groen
Tertinggi
de langste
Kebun binatang
dierentuin
Boleh
mag ik
Lalu
daarna, vorige
Tahu
weten, kunnen
Sudah
al, reeds
Belanda
Nederlands (Nederlander)
Selama
gedurende, tijdens
Pemadam kebakaran
- brandweerman
Sewa
- huur, huren
Dengar
- horen, luisteren
Delapan (Lapan)
- acht
Rumah makan
- restaurant
Daftar makanan
- menu
Pacar
vriend, vriendin, verkering
masih
nog, nog steeds
Sebasar
zo groot als
Tertarik
geïnteresseerd / interessant
Paling
meest, het meest
Anda
u, jij (formeel)
Paling tinggi
- de langste
Bisa
- kunnen, kan (toestaan)
Ke Sana
- naar daar
Kantor Polisi
- Politie bureau
Jauh
- ver (ver weg)
Kali
- keer (in tijd)
Saya Suka
ik hou (van)
Hari kasih sayang
- valentijns dag
Kakak
- oudere broer of zuster
Jual / Beli
verkopen / kopen
Ibu / bu
moeder, oudere vrouw
Penjual / Pembeli
verkoper / koper
Maret / April
maart / april
Saya
- ik, mijn, mij, ja (formeel)
Sedang
- bezig, bezig met, middelmatig, terwijl, voldoende
Dia or Ia
- hij of zij
Ini darurat
- dit is een nood(toestand)
Hirimau / Kupu-kupu
- tijger / vlinder
Sesudah / setelah
nadat, na / nadat
Saya suka kamu
ik vind je leuk
Saya Tidak Suka
ik hou niet (van)
Bantu / membantu
help, helpen / helpen
Lihat / melihat
- zien / kuiken naar
Tolong panggil polis
- aub bel de politie
Sekali
- erg, zeer, een keer, geheel, heel
Juru masak / Juru bicara
chef / woordvoerder
Ekor
- stuk - gebruikt als "aantallen van bv dieren"
Koneksi teleponnya jelek.
- de telefoon verbinding is lelijk
Siapa kamu?
- wie ben je, wie bent u?
Kita
- wij, ons, we (inclusief de persoon met wie gesproken
Kami
wij, ons, we (exclusief de persoon met wie gesproken
Tidak se + bijgevoegd (bijv. naamwoord)
niet als (bijgevoegd
Apa Kabar?
wat is er nieuw, hoe gaat het?
Bangun pagi
- wakker worden / opstaan in de morgen
Sebentar / Tolong tunggu sebentar, ya?
even, ogenblik, moment /
Saya mau kenalkan kamu kepada dia
ik wil u introduceren
Buka / membuka -Tutup / menutup
open / openen -sluit /
... sedang tidak ada di sini
- ... is momenteel niet hier
Tolong bungkus sisa makanan ini
aub pakt u het restant van het
Buka / membuka -- Tutup / menutup
- open / openen -- sluit /
/ 111
Term:
Definition:
Definition:

Leave a Comment ({[ getComments().length ]})

Comments ({[ getComments().length ]})

{[comment.username]}

{[ comment.comment ]}

View All {[ getComments().length ]} Comments
Ask a homework question - tutors are online